Proloog

Marruddi,

Ik richt mij tot één van de meer hechte koppels van Aalst en omstreken (niet moeilijk, maar toch, maar toch), met de melding:

Jawel, de Stalinisten hebben mij uitgezuiverd, ontdekt, ontmaskerd als zijnde te levenslustig om alles op te offeren voor de glorieuze revolutie, en bij gebrek aan bovengrondse goelag, heeft men mij in een nest, zo rood, maar niet zo charmant als Marianne’s krullen, op de kasseien gezet.

In principe vind ik dat goed nieuws, ware het niet dat ze op één punt toch gelijk hebben in al hun establibashing: het zijn barre tijden op de arbeidsmarkt.

Enige tips om aan de bak te kopen met een ‘te eigenzinnige pen’ (dixit het politbureau) worden bijzonder sterk op prijs gesteld.

Hoe gaat het met jullie? Hoe verloopt herstructurering en perestroika 98.145 C bij het Nieuwsblad, welk nieuws in de Aalsterse protestzangerbrance, en last but not least, houden jullie de decadentie in ere tijdens al dat steriele politieke polariseren in dit kleine, steeds zwalpendere land?

Als na Solidair (rode vaan) de Vooruit volgt, verander ik mijn naam, in Boon, (koffie)Boon en trek ik mij temidden van stoute prentjes terug in een pand op het einde van de Bredestraat te Erembodegem, alwaar ik, doodzonde nummer 1 volgens communisten, niet al te optimistische, doch redelijk vinnige stukjes wens te schrijven over het verkiezen van rode wijn boven het uitdelen van rode pamfletten aan fabriekspoorten.

Lieve boontjes,

William, tedere anarchist II (of III of IV)

De laatste communisten en de man die werk zocht

1.

Moet je nu wat weten, Christophe heeft gezegd dat ik naar pis ruik.”

Ik kijk recht voor me uit, ogen gefixeerd op de weg.

Dat is goed he, zeg! Dat hij dat durft zeggen. Nee, ik had dat echt niet van hem verwacht. Normaal is die altijd zo timide. Zeker tegenover mij. Dat hij dat nu zo ineens durft zeggen. En hij heeft gelijk he. Als ik thuis kom, is dat als een paard die naar zijn stal gaat. Dat begint te lopen nog voor ik bij ‘t toilet ben. En met al dat werk voor de partij. Jongen, jongen, zo veel werk. Ik heb geen tijd om onderbroeken te wassen.”

Romain, voorzitter PVDA-Aalst, een ‘strontpartijtje’ naar eigen zeggen, steekt zijn derde sigaret aan. We rijden anderhalf uur rond. We zijn een beetje zoals die getuigen van Jehova die aan uw deur komen bellen. Waarvoor ge al lang niet meer open doet. Die zelf ook al niet meer verwachten dat ze welkom zijn. Het aanbellen op zich is al genoeg in de ogen van God. In wiens ogen wij goed bezig zijn, weet ik niet. Wij leuren niet met de Wachttoren. Wij leuren met het weekblad Solidair en Marxistische Studies. En eigenlijk leuren we zelfs daar niet echt mee, want dat is al een stap te ver. Wij leuren nu met het nieuwste boek van ons opperhoofd. Peter Mertens heet hij. Hij heeft net het boek ‘Hoe durven ze?’ geschreven. En dat moet een bestseller worden. Al was het maar omdat een erg populaire bestsellerauteur het voorwoord heeft geschreven van Peter Mertens zijn nieuwste boek. Zijn vorige heet ‘Op mensenmaat: Voor een socialisme zonder blauwe plekken’. En als u er nog nooit van gehoord hebt, is dat heel normaal.

Het is 11u22. We staan ergens langs de kant van een verlaten straat. Wij zijn van de partij van de arbeid. Maar de mensen die we op dit uur bezoeken, verrichten natuurlijk geen arbeid die zitten thuis. Romain overloopt zijn adressenlijst. Een papieren bundel. Niet op zijn I-pad of zo. Die heeft hij niet. Zo geavanceerd zijn we nog niet. De computerrevolutie sloeg de Sovjet-Unie over. Maar bon, dat soort grapjes zeg ik beter niet luidop. “Ja, ik kan niet bij de mensen gaan en stinken naar pis. Het is echt ontzettend goed dat hij mij dat gezegd heeft.” Ik knik en ik knik en ik knik.

Romain laat zijn vinger vallen op de naam Renaat Van Poelvoorde. “Die woont hier niet ver van. Gepensioneerde buschauffeur. Heb hem ontdekt omdat hij altijd lezersbrieven stuurde naar De Morgen. Hij zit veel op internet. Hij komt niet veel buiten. Misschien kunnen we hem toch overtuigen om bij ons op de lijst te staan.”

Als we aanbellen in de portiek van het lichtjes vervallen appartementsgebouwtje zegt Romain nog: “Hij is trouwens met een Russin. Goed voor u he. Oost-Europa geeft u een insteek. Als ze thuis is, kunt ge er Russisch mee spreken.”

De Russin is niet thuis. Anders had ik toch nog mijn Russisch kunnen oefenen. Russisch staat beter op een CV dan leuren met ‘Hoe durven ze?”

2.

Renaat Van Poelvoerde, busschauffeur op rust, heeft helemaal geen zin om op onze lijst te staan. “Ik ben wel sociaal voelend en de maatschappij houdt mij heel erg bezig. Maar dan vanachter mijn computer. Op mijn blog. Ik ben socialist, maar ik kom niet graag onder de mensen.”

Romain: “Ja, maar ge moet gewoon op de lijst staan, ge moet echt niks doen.”

En ik als echo: “Ge moet niks doen.”

Ja, nee, ik ben haar hier, in mijn appartement, laat mij maar bloggen en het nieuws volgen en zo. Maar drukte is niks voor mij.”

Ge zijt nu al wat op leeftijd, zou je nu niet juist zeggen: Kom dit kan ik nog doen. Zo nog ene keer iets doen van betekenis”

Ik kijk naar mijn tas koffie alsof ik er wil induiken. Alsof zwarte koffie een zwart gat is dat mij bevrijdt van dit bedelen om politieke steun. Romain toch. Kom op onze lijst, want ge zijt toch ver dood.

Maar Renaat kan zoveel directheid blijkbaar appreciëren. Die oude generatie heeft nog niet zo’n lange tenen als mijn narcistische Facebookgeneratie.

Mja, mja”, zegt hij. “Ja, misschien wel dan.”

Triomf! Haha! Dat is de truc. Al wie ver in ‘t graf ligt, gaan we opzoeken. En schreeuwen: “Dit is de laatste zinvolle daad die je nog kan stellen! Kom op onze lijst! Verdien uw hemel, stem PVDA.”

Ah, nee, wij zijn atheïsten, wij geloven niet in de hemel. Als marxisten geloven we wel in ‘t paradijs op aarde. Dat is, euhm, realistischer. Materialischer ook.

Ik vraag nog eens of ik zijn echtgenote eens kan ontmoeten. “Ja, ja, dat zal er zeker eens van komen.” Sympathiek, die Renaat. Nu ja, ik heb hem wat persoonlijke vragen gesteld. Over hoe hij zijn vrouw ontmoet heeft en zo. Blijkbaar via een rondje couchsurfing avant la lettre. In Moskou. Mooi, mooi, mooi. Da’s trouwens mijn techniek om mij sympathiek te maken. Mensen persoonlijke vragen stellen en dan heel hard aan hun lippen gaan hangen met hele grote empathisch, half vochtige puppy-ogen. Hey, wat is ‘t jong, vindt ge dat smerig? We spelen met de speeltjes die de Goden ons geven. U doet het ook. Wat zijn uw speeltjes?

Romain verkoopt nog een exemplaar van ‘Hoe durven ze?’.

Gelijk een rasverkoper zegt hij: “Als je ‘t bij ons koopt, is het vijf euro goedkoper dan in de winkel. Het is echt steengoed. Ik heb het al twee keer gelezen. Wist je dat in volle crisis een toplaag zich enorm liggen verrijken heeft? In volle crisis he! En ondertussen spreken de politici van niks anders dan besparen. Op de kap van de werkende mensen, he!”

Verdomme, zeg, uiteraard gaat dat boek recht de top tien van de non-fictie in. Er zijn een paar duizend militanten met dat boek aan ‘t leuren. Overal te velde. Alsof we die verkochte boeken moeten stapelen om te stutten, stutten tot aan de hemel, zodat een kwaaie marxistische God die niet op onze kop doet vallen en alleen de kapitalisten redt.

Het zal het best verkochte politieke boek van 2012 worden. Ik zal het nog vaak aanprijzen op de site van de PVDA. Als webredacteur/journalist, lees: propagandist. Maar op dit moment zijn we nog 2011. Ik ben nog geen journalist, lees: propagandist. Ik ben werkloos. Ik heb geen job, wel twee lieven die mij doodgraag schijnen te zien. Later meer daarover.

Als ik het even goed deed bij vrouwen als bij werkgevers, zat ik nu niet in de sigarettenrook in deze camionette, op weg naar het sociaal restaurant om mensen aan te porren tot de revolutie. Want zolang ik geen deftig werk heb, is de revolutie mijn laatste hoop. Ik gediplomeerde intellectueel met naar ‘t schijnt een IQ van circa 150, zit zonder werk. De wereld op zijn kop. Op naar de revolutie. Eerst mijn droomjob, dan pas conformeren.

Mijn droomjob, mijnheer? Als ‘t maar schrijven is. Woorden na elkaar zetten in de juiste volgorde, dat doe ik graag. Gelijk een metser mets met stenen, mets ik met woorden. Da’s beter voor de rug. En ge moet er niet vroeg voor uit uw bed. En ik kan eigenlijk niks anders. Dat zal mijn IQ van 150 zijn, een wrede koorts om talig bezig te zijn. Schrijven is voedsel voor het brein. Maar zonder lezers raakt het niet geserveerd. En wordt het rot. Gaat het rotten in mijn kop. En blijft mijn portefeuille natuurlijk leeg. Ik ben werkloze ZONDER uitkering. Yup, zonder. Hoe is dat mogelijk? Ze hebben profiteren in dit land toch papsimpel gemaakt? Bwa, dat valt nogal tegen. Of zijt gij soms nog te lui om uw blauwe kaart binnen te steken bij de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen? Och, man, vrouw, ik leg het u wel eens uit.

Maar alles op zijn tijd. Eerst een stukske armeluizeneten gaan binnenspelen. In ‘De Brug’. Want sociale restaurants moeten bruggen slaan tussen zielepoten gelijk ik. Romain trakteert. Allez, ik heb vandaag dan toch ‘mijnen boterham’ verdiend.

3.

Een ding moet ik Romain, leerkracht Germaanse talen op rust (als werkloze bots je precies alleen nog op gepensioneerden en andere werklozen), meegeven: Hij is een magneet voor alles wat lekker visvoer is om de PVDA-rangen eventueel mee te versterken. De Partij van de Armoede. We hebben er eentje in ons vizier. Een werkloze kunstenaar van boven de 50. Kan je als linkse strontpartij happiger wild vinden? Haha, zie je wel! Hij is nog geabonneerd geweest op solidair. Maar hij vond het toch maar saai en te intellectueel. Hij begreep het wel, maar met zo’n gedrocht van een krant moet je echt het mooie weer niet gaan maken onder het arbeiderspubliek. En dat is toch ons doelpubliek? Zijn vrouw zit er bij en knikt enthousiast. Ze vindt dat we meer met foto’s moeten werken en pakkende human interest verhalen moeten brengen. Romain kijkt naar haar of hij haar gaat lynchen met zijn schoenveters. Hij heeft overzetboten van voeten, dus dat moet technisch nog wel te klaren zijn. Ze werkt bij het Nieuwsblad zegt ze, bij wijze van referentie. Ik schuif haar mijn potje vanillepudding toe en ik geef haar mijn visitekaartje. Ik zeg ook en passant dat ik zelf ook kunstenaar ben. Dat ik scenarist ben van de webstrip ‘Herman Verkrijt’. Een strip die lacht met het onderwijs. Slagzinnen: ‘Twintig jaar in ‘t onderwijs en een vijs of vijf kwijt’ en ‘Buiten de lijntjes kleuren, opent deuren.’ Ik zeg dat ik het Nieuwsblad al eens gemaild heb met de vraag of ze mij en mijn tekenaar niet eens kunnen interviewen. “Ik zal ze daar op de redactie eens aan ‘t werk zetten, zie.” Verdorie,zeg, buiten komen, heeft dan toch zin.

Je bent maar zo sterk als je netwerk.

Haar man, de kunstenaar, blijkt ook interviews te hebben in Het Nieuwsblad. En verder in geen enkele krant. Hij is ouder dan vijftig. Kijkt nog elke dag op de site van de VDAB voor vacatures, maar in de werkwinkel van de VDAB hebben ze hem eerlijk gezegd dat hij het boven de 50 mag vergeten op de arbeidsmarkt. Romain spuwt er drie kwart van zijn vanillepudding uit als hij blaast: “En ondertussen willen ze de pensioenleeftijd optrekken tot 65! Kunt ge dat nu geloven? Dat kaptialisme maakt alles kapot, alles maakt dat kapitalisme kapot. Jongen, jongen, jongen. En het politiek besef van de mensen is zo laag, zo laag. Dat individualisme van de mensen is zo moeilijk te doorbreken. Ze sluiten zich allemaal af. En de kapialisten hebben vrij spel. Het zijn allemaal eilandjes, en de kapitalisten varen daar tussen gelijk piraten en zetten iedereen in ‘t zak. En de mensen staan er naar te gapen, gelijk koeien naar een voorbijrazende trein. Die laten hun bepikken waar ze bij staan.”

Als de zilvergrijze kunstenaar met zijn glanzende leren vest zegt: “Met zo’n doorwrocht intellectualistisch weekblad als solidair ga je hen niet wakker schudden”, schuif ik mijn stoel alvast een half metertje achteruit. Kwestie van rapper naar de uitgang te kunnen lopen. “Maar Solidair is daar niet voor bedoeld!’, schreeuwt Romain. ‘Solidair dient om de militanten te revolutionariseren. Om hun marxistische analyses te geven, zodat ze dat kunnen vertalen naar de arbeiders.” De eindredactrice van het Nieuwsblad blijft erbij dat je met human interest verhalen veel makkelijker tot mensen doordringt. Haar echtgenoot beaamt dat.

Kom, we zijn weg. We moeten nog folders kopiëren”, zegt Romain. Ik haal mijn charmantste glimlach boven en maak zo lang mogelijk oogcontact. “Ik maak werk van dat interview”, zegt de vrouw. En ze geeft mij haar kaartje. Het is tegelijk het kaartje van haar man. Een koppel dat een visitekaartje deelt, die kunnen nog niet lang samen zijn.

4.

Je mag mij niet zo laten te keer gaan. Dat was heel fout. Die twee zijn we kwijt. Ik was weer bezig alsof ik de tribunes aan ‘t toespreken was. Je moet mij tegenhouden in zo’n geval. Dat is de oude stijl. We mogen dat zo niet meer doen. De nieuwe lijn zegt dat we ‘t rustiger moeten aanpakken. Sinds de vernieuwing van ‘t congres van 2008. Hebt ge eigenlijk al ‘t boekje met de resolutie van 2008? Dat kost maar vijf euro. Ik heb er thuis nog een liggen. Ah, ge hebt het al? Jongen, jongen, die twee zijn we kwijt he.”

Ik knik en trek een beetje een triest gezicht. Romain rolt rap een sigaret en spurt naar het kopieercentrum. Ik trek dagelijks op met de meest actieve 70-plusser die ik ook heb ontmoet. Hij lijkt een beetje op een gezonde versie van Mr. Burns uit The Simpsons, maar dan veel groter. Ik stuur alvast een sms naar mijn tekenaar. “Interview Het Nieuwsblad. Het is gefikst” Ik krijg terug “WTF?!?”

What the fuck, dames en heren. Wat de neuk. Uitroep van stomme verbazing onder jongeren. Ik zeg vaak WTF dezer dagen. Elke ochtend als ik wakker schiet met panische angst omdat ik in volle crisis aan geen job geraak en doodsbang ben om te eindigen gelijk mijn vader en grootvader. Begraven na doe-het-zelf-euthanasie samen met mijn schrijfambities.

5.

Bij een rood licht -ideologisch moeten we trouwens eens aanvechten dat in ‘t verkeer alles stilvalt bij rood- vertelt Romain mij dat hij verliefd is. “Op een Bulgaarse prostituée. In Brussel. Om de twee weken zie ik haar ene keer. Haar man is daar dan ook. Die twee moeten een zeer intense relatie hebben. Ik breng dan altijd iets mee. Iets origineels. Ze is daar altijd erg gecharmeerd door. Nu ja, misschien speelt ze dat, ik weet dat niet. Ik geniet van haar vrouwelijkheid. Ik wil geen vrouw meer. Ik heb daar geen tijd voor. Een relatie zou direct in de weg zitten van ‘t werk voor de partij. Ik ben acht jaar getrouwd geweest. Dat was dramatisch. Wat is er na twee jaar nog over van de passie? Nee, verliefdheid moet pijn doen. Ik moet er echt naar verlangen om haar te zien, anders hoeft het niet. Ik kan alleen in een relatie zitten als boven op zolder mijn koffers al klaar staan om eventueel dezelfde dag nog te kunnen vertrekken. Als ge zo die koppels bekijkt… Jongen, jongen, daar gebeurt niet veel meer. Die hebben elkaar op korte tijd uitgewrongen gelijk dweilen. Waarom blijft dat samen? Daar in die bovenkamer is alles afgestorven tot de grootte van een erwt. Nee, geef mij maar de vrouwelijkheid van zo’n jong meisje. Wat een elegantie. Een keer in de twee weken. Nee, ik moet zeggen, ik heb dat goed opgelost. Ik heb geen familieleven. Wist je dat ik drie kinderen heb en kleinkinderen heb? Ik zie die maar één keer. Met Nieuwjaar. En dat is genoeg. Ik zet mij in voor het communisme, maar familieleven is niks voor mij. Maar wat een figuur, wat een vrouwelijkheid. Kijk, ik heb in de kringloopwinkel een spiegel voor haar gekocht en een prachtige houten eend, als ik daarrond nog wat rozen leg, heb ik een soort zwanenmeer. Dat heeft hoop en al drie euro gekost, maar de mensen kijken daar over, he. Als het geen stukken van mensen kost, telt het niet mee, he.”

Als ‘t licht op groen springt, legt hij de spiegel voorzichtig op de achterbank en dan scheurt hij wild weg, alsof we net een bank overvallen hebben. Correctie: Ons belastingsgeld teruggehaald hebben.

Wie gaan we nog bezoeken vandaag? We kunnen ook naar Denderleeuw gaan, he. Daar ken ik ook sympathisanten waar ik allang niet meer ben bij geweest. Maar met al dat werk voor de partij, kom ik daar nooit aan toe.”

We passeren een paar vervallen huizen.

Hier in dat smal huis woont de zus van An Van Den Steen, die geldwolvin van de sp.a. Die heeft veel sympathie voor ons. Die wordt zot van haar zus, wist je dat? Aja, die zit bij sp.a en die koopt een handtas van 25.000 euro. Haar moeder was er ook niet goed van. Maar die zus heeft een zwaar alchoholprobleem. En ze schreeuwt vaak tegen mensen. Nee, dat geeft de partij een slechte naam. We moeten toch echt vrouwen op de lijst krijgen. Voor elke man moet je een vrouw op de lijst zetten. Waar gaan we al die vrouwen vinden?”

Ik weet even niet wat zeggen. Ik zou liefst naar huis gaan. We zijn al weer vijf uur op de baan. En eigenlijk doe ik ‘t alleen voor hem. Ik heb ‘t altijd gehad voor mensen die een hopeloze strijd vechten. Ik supporter altijd voor de underdog. Dat heeft zijn wortels in mijn kindertijd. Later meer daarover.

Ik moet natuurlijk oppassen dat niemand mijn liefdesleven ontdekt. Ze zouden het tegen de partij kunnen gebruiken.”

Als iemand wist van het bestaan van de partij, zouden ze dat inderdaad kunnen doen. Nog even en ik ga wenen. Deze man die altijd streng de vergaderingen van onze cel leidt. Die we bijna aanzien als een robot die ze ergens in een labo in de Sovjet-Unie hebben ontwikkeld. Die heeft dan toch een gevoelsleven. En dat vertelt hij aan mij. Wat een vertrouwen.

Omdat zo vaak zoveel mensen mij in vertrouwen nemen, denk ik er serieus over na om mezelf te vestigen als therapeut. Als iedereen dan toch zijn ellende stort in mijn grote empathische ogen, kan ik mij er beter voor laten betalen.

6.

Ik stap uit bij mijn huis. “Ik kan vanavond nog terugkomen, he. Ik ken een Russische verpleger met veel sympathie voor ons, we kunnen die gaan bezoeken.” Ik zeg dat mijn tekenaar op nieuwe scenario’s voor Verkrijt zit te wachten. Romain zegt: “We moeten toch echt aan vrouwen geraken, he.” Ik zeg dat mijn moeder en mijn tante wel op de lijst zullen staan. Daarmee lever ik mijn familie uit om deze avond niet meer te hoeven militeren voor de Partij van de Arbeid. “Ok, ik rijd naar Denderleeuw.” En weg is hij. Sigaret in de mond. Als een bejaarde James Dean.

Thuis wachten drie afwijzingsmails op mij. “Niet het juiste profiel.” Vroeger vond ik altijd vlot werk. Geen werk dat ik echt wilde doen, maar soit, ik vond het toch vlot. Nu word ik al een half jaar intensief afgewezen. Hebben die door dat ik bij de Partij van de Arbeid ben of zo? Ik heb mij laten vertellen dat je het dan mag vergeten op de arbeidsmarkt. Die arbeidsmarkt wordt steeds exclusiever. Ze pushen u gewoon om te profiteren van het systeem! Pfff, ik zweer het elke dag: Ik wil nooit nog werkloos zijn.

Ik stuur mijn tekenaar tien nieuwe scenario’s. Waarvan hij er een stuk of drie zeer goed vindt. En die andere zeven voert hij af? Er valt een plotse zwaarte op mijn schouders. Ik ga wat lezen.

Laat ik die “Op Mensenmaat” van Peter Mertens, onze voorzitter, maar eens lezen. Dat ik morgen kan scoren bij Romain. In een verwoede poging om mijn zelfbeeld een beetje op te krikken. Ik heb het snel uit. Het is een pleidooi voor openbare dienstverlening, nationaliseren, enzovoort. De stokpaardjes van links. Onze samenleving zit goed fout. De oplossing? Het socialisme 2.0. Wat dat inhoudt, is voor het volgende boek. Enkele jaren later, is de uitleg over die magische oplossing ook weer voor het volgende boek, zo lees ik in ‘t laatste hoofdstuk van ‘Hoe durven ze?’. Sja, een goede verteller geeft het beste pas op het allerlaatste prijs natuurlijk. Waarom dat socialisme moet genummerd worden? Omdat het al eens is geprobeerd. En sinds de val van de Berlijnse muur geldt het officieel als ‘failliet’. Socialisme 2.0 moet de fouten van socialisme 1.0 vermijden. En dat kan. Je leest het in het volgende boek.

Alleszins toch wel straf dat er een elite is die zich altijd zo schaamteloos blijft verrijken, terwijl de werkende mensen (lees: zij die weinig verdienen) het gelag betalen. Maar heb ik Peter Mertens nodig om dat te weten? Mijn zatte dorpelingen heb ik nooit wat anders horen zeggen. “Het zijn zotten die werken.”

7. Openhartig gesprek met een ex-lid van PVDA Aalst

Op zaterdagavond raak ik via Facebook aan de klap met mijn voorganger, zeg maar, Nathan, een jonge arbeider die nogal intensief de baan deed met Romain, tot hij het kotsbeu was.

Zijn verhaal is sterk typerend voor de PVDA.

‘Als arbeider kwam ik in contact met de voorzitter van een klein links partijtje. Een hele hevige. Een militant. Hij stond al om 5 uur ‘s ochtends aan onze fabriekspoort met pamfletten. Over hoe onze bazen, de rijken, de patroons ons stevig bij onze kloten hadden en de duimschroeven altijd maar harder zouden aanhalen als wij ons niet zouden verzetten.

Mijn collega’s gooiden die gedrukte kreten om verzet direct in de vuilbak, zonder er naar te kijken. Ze noemden hem Stalin. “Ah, Stalin staat daar weer. Hij gaat ons nog eens de blijde boodschap verkondigen. Onnozelaar. Er gaan altijd rijken zijn. Die smerige buitenlanders die hier in hun hangmat komen ronken op mijn kosten, dáár heb ik een probleem mee! Dat ze die eens buiten kuisen.”

Maar Romain, de hevige communist, was ook een hevige anti-racist. Zijn partijtje ronselde niet veel nieuwe leden aan onze fabriekspoort. Hij heeft een paar keer geluk gehad dat hij geen slaag heeft gekregen. Mijn collega’s waren nogal verknocht aan hun uitbuiters. “Wie gaat ons anders werk geven als de patroons het niet doen? Gij misschien?”

Romain kon maar één lidkaart slijten. Yup, aan mij dus. Romain had eigenlijk alles om mij aan te trekken. Hij geloofde in iets. Hij bood iets aan. Ik was welkom. Hij had duidelijk veel kennis en ik ben altijd haast kinderlijk nieuwsgierig geweest. En het was een verschoppeling, want niemand moest van hem weten. Toegegeven, Romain had er zelf voor gekozen om verschopt te worden. Als gepensioneerd leerkracht kwam er maandelijks anderhalf keer zoveel geld op zijn bankrekening dan op de mijne. Hij had gemakkelijk op zijn lauweren kunnen rusten en van de vrouwen kunnen genieten. Romain was al 70, maar hij had een enorme, zenuwachtige energie. Hij was groot en hij zag er goed uit. Gebruind, van hele dagen op pad te zijn. Een stoere boerenzoon. Zijn moeder leefde zelfs nog. Die had met de simpele boerenstiel van bijna nul een kapitaal van miljoenen opgebouwd. Zijn deel van de erfenis ging trouwens naar de partij.

Nee, als Romain had gewild, had hij een luilekkerleven kunnen leiden. Om de een of andere reden lag hij bijzonder goed in de markt bij Congolese vrouwen. Ze deden zelfs zijn was en zijn strijk voor hem. Hij had ze maar uit te kiezen, maar hij wilde niet. Nee, de partij, daar was hij mee getrouwd. Als hij geen arbeiders achterna crosste met pamfletten, dan bezocht hij zijn kleine ledenbestand -een stuk of honderd oude mensen, allemaal even versleten, niet zo kwiek gelijk hij- of zat hij aan zijn computer obscure marxistische teksten te vertalen uit het Duits voor het ledenblad van de partij. Bedoeld voor arbeiders, maar met zo één ledenblad had ge eigenlijk genoeg leesvoer voor twee jaar. En het verscheen elke week. Bijna geen foto’s en grote blokken tekst. Mijn collega’s lieten het linkse blad met een gerust hart links liggen.

Met Romain ging ik de baan op. Om de mensen te vertellen over… Ja, over wat eigenlijk? Dat ze het beter konden hebben. Want dat zij- de werkende klasse- de rijkdom produceerden met hun eigen twee handen. De rijken die roomden al hun arbeid af en pakten al hun geld af. Onze edele werkmensen wilden het niet altijd begrijpen. Zelfs als ze al lid waren van de partij. “Ja, maar die rijken investeren toch in de economie? Als zij niet investeren valt alles toch stil?” Romain trok dan bijna zijn grijze haren uit. “Als de werkende klasse niks meer afgeeft aan die kapitalisten, kunnen ze zelf sámen investeren en zélf kiezen waar de maatschappij in investeert.”

Dat drong toch niet helemaal vlot door, moet ik zeggen. Samen is één van de moeilijkste woorden in eender welke taal. Soms leken ze het te snappen en als ge dan een maand later nog eens met hen babbelde, lag de schuld van alle ellende toch weer bij de luie steuntrekkers. “Die pakken al ons geld af.” Niet zelden waren dat mensen die zelf al 20 jaar op de ziekenkas stonden, die zoiets zeiden.

Wat mij ‘t meeste tegenstak, was het feit dat bijna uitsluitend emotionele wrakken lid werden van de partij. De partij van de werkende klasse, was vooral de partij van de wanhopige sukkelaars. En bij die mensen moest de partij dan haar financiering halen.’

Als ik Romain later vraag naar zijn ervaringen met Nathan, zegt hij: ‘Die is alleen maar vertrokken omdat hij het lief van een ander partijlid had afgepakt.’

(wordt vervolgd)

Advertisements